zaterdag 15 februari 2014

De ideologie van Rutte c.s.

Een vriend van mij en ik zijn aan het schrijven over de opvattingen van de regering Rutte over burgers. Wij baseren ons op teksten die naar de Kamer zijn gestuurd. Ik wil een tussenstand van dat proces met jullie delen. De conclusie is hard. Graag jullie commentaar.

In de brief over de doe-democratie schrijft Plasterk eind 2013 aan de Tweede Kamer:
"Misschien komen we ooit zover dat we systeemvoorwaarden kunnen formuleren, waardoor maximale kans bestaat op zorg voor elkaar, zodat de kans op ongelukken in een gemeenschapsvoorziening zelfs kleiner is dan in een professionele instelling. Het kabinet ziet in dergelijke systeemvoorwaarden een vruchtbare zoekrichting."
Ik vind daar iets van als burger. Mijn broer, m'n kinderen en ik vormen in zekere zin een gemeenschapsvoorziening voor m'n dementerende moeder. En de 'zoekrichting' van de minister is om 'systeemvoorwaarden te formuleren' zodanig dat wij net zo betrouwbaar worden als het tehuis waar zij verblijft. Om te beginnen is dat 'met net zo weinig kans op ongelukken' functioneren als dat tehuis niet zo'n hoge norm. Maar hoe komt zo'n man op het idee dat wij exogene 'systeemvoorwaarden' nodig hebben om te zorgen voor mijn moeder? Wij doen dat gewoon uit liefde, gemotiveerd van binnen uit!

De partijgenoot van Plasterk, Van Rijn legt expliciet uit aan de kamer in zijn brief over de langdurige zorg wat de regering van die motivatie 'van binnen uit' en 'uit liefde' rond mijn moeder vindt:
"Wij moeten niet terug naar de tijd dat participatie afhankelijk was van liefdadigheid. Tegelijkertijd willen we ook geen samenleving, waarin het tegengaan van eenzaamheid afhankelijk is van betaalde en verzekerde zorg."
Let om te beginnen even op de manipulatieve verbinding van 'eenzaamheid' en 'betaalde en verzekderde zorg'. Daarover schreven we (Angela Riddering en ik) al eerder een artikel in Openbaar Bestuur. Maar het mensbeeld dat het kabinet Rutte hanteert gaat er dus van uit dat onze endogene motieven kans op ongelukken laten bestaan, onbetrouwbaar zijn.
En cultureel achterlijk: lees de snerende vermelding van 'naastenliefde'. En dat exogene randvoorwaarden kennelijk de enige garantie bieden voor effectief en risico-arm burgergedrag. Maar, vindt de regering ook, de voorzieningen zijn duur en dan móet je wel die onbetrouwbare burgers inzetten.

Daar zit mijn moeder dan lelijk opgescheept met die familie. Want wij opereren wel op basis van liefde - naastenliefde zelfs. En aan die 'systeemvoorwaarden' heeft de overheid nog niks gedaan. Dat kan niet goed gaan toch?

Bovendien, in de notities van Van Rijn en Plasterk lijkt het wel of de samenleving het middel is en het doel ligt in het overleven (in economische zin vooral) van de instituties van overheid en professionals. 

Gezocht? Oh nee hoor, die doel-middelen omkering is niet ongewoon in Den Haag. Lees maar wat de WRR daarover schreef in het advies over de doe-democratie ('Vertrouwen in burgers'; waarop Plasterk zich deels baseert):
"In een complexe, snel veranderende omgeving ‘overleven’ alleen adaptieve instituties: instituties die meer doen dan instrumenteel bijschaven en die ook de onderliggende aspecten durven aan te pakken. […] De grondslag voor dat collectieve gedrag is gelegen in institutionele intuïtie: een intuïtie die gedeeld wordt door allen binnen de gemeenschap en die elk van hen in staat stelt om zonder formele opdracht aanpassingen te kunnen maken."
Dit is ingewikkelde tekst, met rare neologismen. Maar het is de WRR die hier spreekt, dus dat mag wel. Wat er staat is dat omwille van het overleven van instituties, die instituties het burgergedrag als het ware incorporeren (institutionele intuïtie - ook een eigenschap van burgers trouwens) en zich vervolgens 'incrementeel' (een term van Plasterk) kunnen aanpassen.
Dán zijn die instituties vervolgens pas in staat om de genormaliseerde burgers zo te bedienen dat ze tevreden zijn en kunnen ze voldoen aan die systeemvoorwaarden waar Plasterk naar op zoek is. Maar doel in dit evolutiebeeld van de samenleving is het overleven van instituties. (En door die keuze voor een incrementele invoering hoeft een verantwoordelijke bewindsman natuurlijk niet te verantwoorden. Zie het gedrag van Plasterk rond de bestuurlijke vernieuwing).

In ieder geval  blijkt als je de moeite de documenten over zorg en binnenlands bestuur goed te lezen een behavioristische benadering. Door het 'incrementele' van het implementatieproces onttrekken de bewindspersonen zich bovendien aan democratische verantwoording.

Dat alles bij elkaar leidt tot een conclusie waar ik zelf van schrik. Reden om jullie om commentaar te vragen. Het geeft geen pas om Rutte cs op één lijn te zetten met Stalin en Hitler. Maar ze plaatsen zich wat opvattingen over burgers betreft wel op die lijn, want ook die beschouwden burgers als risicovolle wezens die met behavioristisch middelen in beheersing moesten worden genomen. Daarbij wezen ze wel de democratie expliciet af.
Op dat laatste punt lijken Rutte en zijn trawanten slimmer te opereren dan de grote dictators van de 20ste eeuw. In plaats van de democratie af te wijzen, onttrekken ze zich aan de sturende werking van de democratie door de processen die ze besturen (bestuurlijke vernieuwing bijvoorbeeld) te zien als 'natuurlijke ontwikkelingen' waarvan ze de baas niet zijn. Ze noemen dat 'incrementeel bestuur' en kunnen gewoon hun gang gaan.

maandag 14 oktober 2013

Gezond wantrouwen kan de zorg verder helpen

De recente brief van Van Rijn over de langdurige zorg is een wonderlijk document – aldus betogen Angela Riddering en ik in Openbaar Bestuur van oktober 2013. ‘Deze (hervorming) houdt voor gemeenten in dat zij als overheid nog meer naast de burger moeten gaan staan.’ Schrijft Van Rijn. 
Zowel voor de burger als voor de overheid – als voor de sfeer van vernieuwing in de zorg, zou het echter beter zijn als Van Rijn het ‘tegenover’ zou nastreven: de overheid staat tegenover de burger. Een sfeer van gezond wantrouwen en respect voor elkaars belangen is gepaster. Zo'n sfeer biedt uiteindelijk een beter klimaat voor vernieuwing in de langdurige zorg. En schept daarmee uiteindelijk een steviger basis voor vertrouwen dan de zalvende woorden en omtrekkende manieren van redeneren die de staatssecretaris nu gebruikt. 
De manier van redeneren noemen we overigens 'seculier dogmatisch'. Het is een noodlottige manier van redeneren die de huidige bestuurders gewoonlijk gebruiken. Het is een manier van redeneren die een deel van de oplossingsruimte rond problemen afschermt en het vertrouwen in de politiek aantast.
Aldus de korte samenvatting van het betoog van Angela en mij in Openbaar Bestuur. 

Onderdeel van het artikel is een redenering over seculiere dogmatiek die ik met jullie wil delen. Al eerder schreef ik in dit blog daarover al een stukje ('Geen boek maar een veldgids'). Hier volgt een wat formelere uitwerking daarvan (stukje uit het artikel van Angela en mij), met als verzoek om daar eens op te schieten, beste lezer!

Seculiere dogmatiek
Een dogma is een leerstelling die door een religie, ideologie of organisatie als onbetwistbaar wordt beschouwd. Een dogma is een fundamenteel concept ter onderbouwing van een gedachtegoed. Daarom wordt de aanhanger daarvan geacht er niet van af te wijken en het niet te betwisten of te betwijfelen. Het is een begrip met een zekere claim op de waarheid en een begrip dat de positie bepaalt van wie het gebruikt. Is men kritisch over democratie, dan wordt men in de hoek van de fundamentalisten gezet. Sceptisch over de euro, dan ben je een populist tot je het tegendeel bewezen hebt.

De seculiere (niet kerkelijke) dogmatiek ontstaat doordat begrippen vanwege hun succes een bepaalde status krijgen. Als je je verbindt met die begrippen, deel je ook zelf in die status. Voorbeelden hiervan zijn begrippen als vertrouwen en control, maar ook democratie, verzorgingsstaat, marktwerking, efficiëntie, effectiviteit, Europa, eigen kracht. Ze kunnen bogen op een mooie maatschappelijke carrière. Van huis uit zijn het woorden voor middelen om te komen tot een betere samenleving, een betere organisatie of betere maatschappelijke afspraken. Gaandeweg zijn ze echter tot doel gepromoveerd en hebben ze een dogmatisch karakter verkregen. Ze maken het verschil tussen wat we verstandig vinden en wat niet. Tussen wie verstandig is en wie niet. 

Het succes van deze oplossingen en de verbindende werking van dat succes vormen de motor achter de groei van seculiere dogmatiek. Enkele decennia geleden werd die groei nog afgeremd door het bestaan van ideologie. Ideologie bevat maatschappelijk nastrevenswaardige doelen. In een ideologie bestaan waarden die hoger worden geacht dan louter succes. Maar die tijd is voorbij. Ideologie is ontmaskerd en in de politiek zijn de ideologische veren met veel verve afgeschud.[1] In deze tijd toon je politiek kleur door de keuze van de aard van de oplossingen: de vrije markt of de werking van het middenveld. Allemaal middelen, maar nu zonder doel. 
Alleen de namen van de politieke partijen herinneren nog aan hun idealen. Ideologie wordt  als 'fundamentalistische' onzin uit het verleden beschouwd. Maar door het verdwijnen van die remmende culturele factoren, heeft de wildgroei van de dogmatiek een kans gekregen. De teloorgang van de ideologie ontneemt ons veel van het vermogen om kritische vragen te stellen. Als de vraag wordt gesteld waarom de zorg een overheidstaak is, wordt de vragensteller zo maar buiten het gangbare en erkende politieke debat geplaatst.


[1] Perry Anderson (1998), The Origins of Postmodernity, Londen/New York: Verso, p. 24-27.

zondag 14 juli 2013

Kropotkin aan het woord

Ter voorbereiding van een verhaal over de doe-democratie lees ik die oude anarchist Kropotkin. Kijk eens naar zijn analyse van de overheid aan het eind van de 19e eeuw.

Gewoon als we zijn, ... , om overal de blik te richten op de regering, de wetgeving en de magistratuur (de overheid) komen we er vanzelf toe te geloven dat de mensen elkaar zouden verscheuren als wilde dieren zodra de politie geen wakend oog meer op hen hield, en dat een algemene verwarring het gevolg zou zijn, wanneer het gezag door de een of andere maatschappelijke omkering werd vernietigd. En zonder er op te letten, gaan we voorbij duizenden en duizenden, zonder wettelijke tussenkomst gevormde groepen, die heel wat beters tot stand brengen, dan waartoe de regering bij machte is.
Sla een dagblad open. Alle kolommen zijn gewijd aan regeringszaken en politieke intriges (kuiperijen en knoeierijen). Als een Chinees het las zou hij denken dat in Europa niets tot stand kwam zonder bevel van de een of andere meester. Zoek er eens iets in dat betrekking heeft op instellingen, die ontstaan en zich ontwikkelen zonder ministerieel voorschrift. U vindt niets of bijna niets! Zo er al een rubriek “gemengde berichten” in voorkomt, bevat deze nagenoeg alleen de mededeling van feiten, waarmee de politie zich heeft bemoeid. Een familiedrama, een daad van verzet zullen alleen vermeld worden als de politiemannen zich hebben vertoond. Driehonderdvijftig miljoen Europeanen beminnen of haten elkaar, arbeiden of leven van hun renten, lijden of genieten. Maar hun leven, hun daden (literatuur, toneel en sport uitgezonderd) van dat alles geen spoor in de dagbladen wanneer niet de regeringen op de een of andere wijze tussenbeide zijn getreden!

Volgt een pleidooi voor de doe-democratie... ik ga dat gebruiken... Dat boek van Kropotkin!

woensdag 10 juli 2013

Mijn liefde voor moeder is bezuinigingspotentieel voor de overheid

Minstens een keer per twee dagen bezoek ik mijn moeder in het verzorgingshuis. Ik doe de planten, neem de was mee, zorg voor vers fruit, wijn en sapjes. En ik ben er gewoon een kwartiertje voor de gezelligheid. Verder let ik een beetje op, overleg met de verzorging en voorkom bureaucratisch gedonder met belastingdienst, verzekeraars en banken. Moeder woont in Arnhem, 45 km naar het westen, langs de weg tussen de Achterhoek en de rest van Nederland, dus ik kom er langs als ik naar mijn werk rijd. Moeder heeft Alzheimer en weet niet veel meer, maar ze heeft een opgeruimd karakter. Ik ervaar het allemaal als niet zo’n zware last. 

De eerstverantwoordelijke verzorger voor mijn moeder heeft recent genoteerd welke zorgtaken ik allemaal voor mijn moeder uitvoer. Ik heb zwakjes geprotesteerd, maar zit nu toch in het systeem. En hij werd ook maar gestuurd. In plaats dat ik de zorg een beetje in de gaten houd, wordt ik nu ook in de gaten gehouden. Het verstoort de verhoudingen. Nu, enkele weken na het voorval, is mijn ergernis en mijn wantrouwen nog niet weg. Ook al is die evv-er een prima vent en is er substantieel nog niks veranderd.

Het wordt intussen ook duidelijk waar die registratie over gaat. Waar het op voorsorteert. Er verschijnen opgewekte maar strenge gezichten op de TV die me langzaam gaar maken om als liefhebbende zoon te worden omgezet in een mantelzorger en te worden geconsumeerd door de instituties van gemeenten en zorg – het heet te gaan over ‘de kanteling’.

In een brief aan de Kamer zegt de staatssecretaris Van Rijn:
… Mensen willen zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen wonen en niet eenzaam zijn. Vaak zal ondersteuning van het eigen sociale netwerk of (gemeentelijke) thuiszorgvoorzieningen nodig zijn. …
… teveel zaken die we ook zelf zouden kunnen regelen, worden uit de collectieve middelen betaald. Daarmee dreigt het gevaar van steeds hogere premies die het besteedbare inkomen uithollen en de solidariteit aantasten. … 
… Wij moeten niet terug naar de tijd dat participatie afhankelijk was van liefdadigheid. Tegelijkertijd willen we ook geen samenleving, waarin het tegengaan van eenzaamheid afhankelijk is van betaalde en verzekerde zorg.
Wat moet er daarvoor gebeuren?
… Degenen die een beroep willen doen op ondersteuning of zorg worden aangesproken op wat zij samen met hun sociale omgeving kunnen doen. Deze (hervorming) houdt voor gemeenten in dat zij als overheid nog meer naast de burger moet gaan staan. Voor zorgaanbieders … meer mens- en buurtgericht gaan werken. … zorgverzekeraars/zorgkantoren … meer verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van de zorg in instellingen. … de samenleving als geheel vraagt deze hervorming meer betrokkenheid en zorg voor elkaar.  

Lees goed. De laatste zin. Gecombineerd met dat afserveren van liefdadigheid.  

Van Rijn en de politieke kaste waar hij toe behoort, zijn bezig ons burgers te framen. Ons neer te zetten als onbetrouwbare klootzakken. En vervolgens zijn ze bezig de regie over ons persoonlijke leven over te nemen. Kras gezegd? Nou, onze moraliteit wordt gediskwalificeerd - op mijn liefdadigheid kan de instelling waar mijn moeder verblijft geen kostenbesparing inboeken.

Onze ‘eigen kracht’ wordt geregisseerd met het instrument van ‘eigen kracht conferenties’ – om maar eens een voorbeeld te noemen.  http://www.eigen-kracht.nl/nl/inhoud/wat-is-een-eigen-kracht-conferentie Samen opgewekt voorwaarts 'als het even niet meer lukt'. Die conferenties zijn een instrument dat instituties van overheid en zorg beschikbaar stellen zoals ik in een muizenval kaas beschikbaar stel voor een muis. Ik ben in zo'n sessie gestapt in verband met een lieve tante waar ik vrijwillig graag langsging. In de conferentie geheel zorgmatig gedresseerd en ingepast en dat scheelt me toch een kosten voor de zorginstituties en de gemeente! Hogere manipulatiekunde. Ach, een jaar geleden maakte De Speld al dit prachtfilmpje: http://www.youtube.com/watch?v=FTnT1a-HKj0

Ik ben voor eerlijke bezuinigingen in de zorg in plaats voor manipulatie door de staat en de gemeente.
Ik wil als zoon van mijn moeder niet onder de zachte tucht van de lokale overheid worden gebracht. 
Laat mij mijn moeder maar verzorgen. Uit liefde. Uit nood. En mijn tante - vanwege de liefdadigheid. Niet omdat er een gemeente of een institutie 'naast me staat' om in de gaten te houden of ik me als goed mantelzorger gedraag (en de kosten af te schrapen).
Dan weet ik ook weer hoe ik me tot die manipulatieve overheid moet verhouden, tegen die gemeente 'die naast mij moet gaan staan' (en die taken moet gaan uitvoeren waar ze niet voor toegerust is en onvoldoende geld heeft gekregen). Wees eerlijk: de politieke kaste staat niet naast me, maar behartigt de belangen van instituties, en is bereid om daar de persoonlijke levenssfeer van individuen schaamteloos voor aan te tasten.

zaterdag 23 maart 2013


Geen boek maar een veldgids

  • Vertrouwen is goed, control is nastrevenswaardig.
  • Vertrouwen is menselijk, warm.
  • Control is ‘grip hebben op de zaak’, het wezenlijke doel van management.
  • Control is het antwoord op verlies aan vertrouwen.
  • Vertrouwen is het antwoord op het uit de hand lopen van situaties. 
  • Vertrouwen is het antwoord op de crisis.

Een paar uitspraken. Onze genuanceerde mening over al deze uitspraken is: Schadelijke Onzin!
Begrippen als vertrouwen en control kun je beschouwen als kleine verbale roofdieren. Ze peuzelen een deel van je begrippenkader op, en juist dat deel dat je nodig hebt om na te denken over de stijl waarmee je leiding geeft. Zeker wanneer het er op aankomt.
Daarom hebben Angela Riddering en ik een veldgids geschreven. Geen boek waarin we uitwerken wat dan wel, voorschriften voor de omgang met… – maar een veldgids om je te helpen die kleine conceptuele roofdieren te identificeren om vervolgens zelf beter te kunnen nadenken over hoe je in je eigen situatie de verhoudingen met mens en organisatie zal gaan hanteren. Waarom een veldgids en geen handboek? Daarover hieronder een beschouwing - ik ben erg benieuwd naar jullie reacties!

Seculiere dogmatiek

Welk begrip hoort in dit rijtje niet thuis: een gezonde Euro, sociale cohesie, flexibele opstelling, stevig aanpakken, vertrouwen, in control zijn, een goed ondernemersklimaat, naastenliefde, democratie, voedselveiligheid, duurzaamheid.
Lastig? Alle begrippen zijn containerbegrippen met een ingewikkelde lading. Het gaat van huis uit over middelen om te komen tot een betere bedrijfsvoering, een betere organisatie, een betere samenleving – noem maar op. En het zijn middelen die wegens succes en langdurig gebruik zijn gepromoveerd tot doelen. Tot symbolen van een bepaalde levenshouding.
Het enige begrip dat zich onttrekt aan die middel-doel-conversie is het begrip ‘naastenliefde’. Dat is vanouds een norm – geen doel, geen middel. Het hoort niet bij het domein van de ideologie, niet tot de opvattingen over hoe de samenleving er op vooruit zal gaan, maar bij de ethiek, naastenliefde is goed – zonder meer. 

Een subtiel en wezenlijk onderscheid – naastenliefde is een echte norm, waarbij al die andere begrippen zich als norm vermommen. Je kunt ze ook zien als ‘dogma’s’, leerstelligheden[1] waarvan men zich bedient om onderscheid te maken tussen wat verstandig is en wat niet en of je bij de verstandige mensen hoort of niet.  
Juist om die reden verdienen die dogmatische  begrippen met gezond wantrouwen te worden benaderd. Dat vraagt kritische moed. Het zal je bijvoorbeeld moeite kosten om in gezelschap van stadsontwikkelaars aan te tonen dat sociale cohesie in sommige situaties helemaal niet zo prettig is: minder sociale cohesie geeft soms méér levenskwaliteit in de wijk – durf jij dat debat aan? Je loopt een kwaaie kans om in een hoek te geraken waar je veel extremere standpunten moet gaan verdedigen dat je van plan was. Ook het bestrijden van het dogma van de stabiele Euro brengt je in de moeilijkheden – en misschien wel onder vrienden waar je niet eens bij wilt horen. Met een beetje pech ga je gevolgd worden door de AIVD. Als je dat wel interessant vindt, start dan maar eens in het openbaar een kritisch gesprek over het einde van de democratie. Of je dat zonder maatschappelijke schade overleeft… wij wensen je veel succes!

Deze familie van begrippen heeft als interessante karakteristiek dat ze een succesvolle geschiedenis hebben, mensen zijn er beter van geworden en dat verschaft ze een zekere status. In die geschiedenis zijn ze gepromoveerd tot doel, tot norm. ‘Als je het goede met de mens voorhebt, dan ben je voor democratie’. Verder hebben ze een stevige sociale werking: je kunt er mee vaststellen of je er bij hoort of niet. De familie van dogmatische begrippen geeft intellectuele en sociale rust en zorgt er wel voor dat ons collectieve superioriteitsgevoel in tact blijft. Dat we meewarig kunnen terugkijken naar de sukkels die twee eeuwen geleden nog heilig geloofden in het feodale stelsel. Onze dogmatiek voorkomt dat we echt hoeven na te denken over de sleetsheid van onze democratie. En onze dogmatiek verschaft ons ook een gevoel van morele superioriteit: die landen waar nog geen democratie is… oei! Hij zorgt er voor dat we met misprijzen spreken over de barbaarse tijden dat de heilige geest meesters nog de sociale voorzieningen regelden – terwijl wij ons zorgen maken over de ontmenselijking en de kosten van de zorg, maar ten diepste niet de verzorgingsstaat ter discussie willen stellen.

Democratie, verzorgingsstaat, rechtsstaat, dat zijn grootmoeders van seculiere dogma’s. Maar er zijn ook kleinkinderen, neefjes en nichtjes – begrippen met een dogmatisch karakter, maar dan met een mindere status. Zo hebben we gekeken naar de begrippen vertrouwen en control. Ook die begrippen hebben hun neutraliteit opgegeven en zich verbonden met scholen en groepen. Je hebt de kampioenen van het vertrouwen – de mensenmensen – en die van de control – de realisten noemen die zich graag. ‘Vertrouwen is goed, controle is beter’ – niemand minder dan W.I. Lenin heeft de begrippen vertrouwen en control(e) met elkaar in verband gebracht. En of het nu door hem komt weten we niet, maar in ook in het dagelijkse taalgebruik van bestuurders en managers staan ze tegenover elkaar: of je vertrouwt de zaak, of je gaat voor de control.

Gebruik je het begrip ‘vertrouwen’ of praat je over ‘in control zijn’, dan stap je in een mentaal landschap waar de grenzen zijn getrokken – waar je voor keuzes wordt geplaatst die gaan over ‘waar je bij wilt horen’ en niet ‘wat nodig is’. Dogma’s doen dat. De sociale druk in de begrippen overstemt het nuchtere oordeel. Efficiency en effectiviteit zijn ook van die dogmatische begrippen. Competence management is er ook een – ik ben oprecht van mening dat deze manier van benaderen van mensen op een amorele manier in de hoek zet. Maar probeer dat maar eens in kringen van moderne HRM-mers vol te houden als standpunt. Je wordt doodgeknuffeld met een welwillend ‘we leggen het je nog eenmaal uit’ en vervolgens genegeerd op zijn best en overgeslagen als men toe is aan de witte wijn. Zulke begrippen zijn dat. Kleine roofdieren die stukjes van je hersenen en het gesprek met de ander oppeuzelen en zo aan gewicht winnen.
Hier ligt een taak voor de serieuze bedrijfskundige: de niet functionele denk en handel-routines ontmaskeren en ruimte scheppen. Dogma’s ontmaskeren. Dat is nuttig werk want door hun lading zitten die een helder, to the point gesprek over allerlei onderwerpen in de weg. Als je dat doet ontstaat er een ruimte voor andere manieren van denken en praten. Die ruimte moet je vervolgens natuurlijk wel verkennen – niet dichtleggen met nieuwe vooroordelen.

Angela en ik hebben daarom een veldgids geschreven, geen handboek.  Eerst rekenen we daarin op vriendelijke wijze af met de grootste onzin over vertrouwen en control, namelijk dat we hier met tegenstellingen te maken hebben. Vervolgens gaan we de gedachte te lijf dat méér vertrouwen en méér control beter zou zijn. Tenslotte bespreken we enkele boeken over vertrouwen en control en zetten daarbij instemmend of afkeurend onze kanttekeningen. In een boek zouden we proberen om vervolgens een nieuw ‘gelijk’ over vertrouwen en control te ontwikkelen. Dat doen we niet. Deze begrippen zijn ten onrechte tot dogma’s gepromoveerd – we gaan die staat van heiligheid niet bevorderen door nu een reeks van nieuwe eeuwige waarheden aan die arme begrippen te hangen. We geven wel met veel plezier enkele tactische tips, kortom, we hebben een veldgids geschreven. Dat is nuttig als je de begrippen vertrouwen en control nuchter wil gaan gebruiken. www.veldgidsvertrouwen.nl


[1] Een dogma (Grieks: δόγμα, meervoud: δόγματα) is een leerstelling die als onbetwistbaar wordt beschouwd door een religie, ideologie of andere organisatie. Een dogma is een fundamenteel concept ter onderbouwing van een gedachtegoed, daarom wordt de aanhanger van dit gedachtegoed geacht er niet van af te wijken en het nooit te betwisten of te betwijfelen.

dinsdag 8 januari 2013

Omslag 'Veldgids Vertrouwen (alles onder controle?)

Wat is dit toch een mooie tijd. Je kunt als schrijver je geschriften breed laten lezen voor ze goed en wel op boomverslindend papier worden uitgegeven. Zo ook onze flaptekst. En de uitgever ging er ook nog met een scherpe pen overheen. Voor de fijnproevers (waaronder Elianne Fijan) hierbij de nieuwe tekst.


Met welke stijl bestuur je een team of een organisatie? Lenin zei: vertrouwen is goed, maar
control(e) is beter. Frans de Jong en Angela Riddering hebben die tegenstelling tussen
vertrouwen en control ontmaskerd: die blijkt vals te zijn. Aan deze ontmaskering hebben zij
veel plezier beleefd, maar wat heb jij daar aan?

Er zijn meer smaken dan vertrouwen óf control. Vertrouwen én control is ook een optie. Of:
geen enkel vertrouwen, geen enkele control – onder sommige omstandigheden is dat een
uitstekende besturingsstrategie.
Van alle mogelijkheden worden de karakteristieken uitgewerkt. De auteurs omarmen
vertrouwen, maar er wordt ook een pleidooi gehouden voor gezond wantrouwen. Er
is waardering voor control (dat is niet uniek), maar ook een beschrijving van de zeven
doodzonden van control (en dat is toch echt bijzonder).

De auteurs onderzoeken in welke omstandigheden de ene strategie verstandig is, en in
welke de andere. Dat levert een instrument op voor een kritische analyse van jouw situatie.
Daarmee wordt dit boek een veldgids die je kan helpen bij het bepalen van de meest
passende manier om een team of een organisatie aan te sturen.

En

dinsdag 18 december 2012

Veldgids Vertrouwen (alles onder controle?)


Het boek van Angela Riddering en mij ligt bij de vormgever. Een korte schets:

Met welke stijl bestuur je een team, een organisatie? Lenin zei: vertrouwen is goed, maar controle is beter. Wij hebben die tegenstelling tussen vertrouwen en control ontmaskerd: die blijkt vals te zijn – leuk om te doen, maar wat hebt u daaraan? 
Onze benadering biedt u een bredere blik. Er zijn meer smaken dan vertrouwen óf control. Vertrouwen én control is ook een optie. Of: geen enkel vertrouwen, geen enkele control – onder sommige omstandigheden is dat een uitstekende besturingsstrategie.
Van alle mogelijkheden schetsen we de karakteristieken. 
En we onderzoeken in welke omstandigheden is de ene strategie verstandig is, en in welke de andere. We bieden een instrument aan om een goede analyse van uw situatie te maken. Daarmee wordt het boekje als het ware een veldgids die u kan helpen bij het bepalen van de meest passende manier om een team of een organisatie aan te sturen. 

We denken dat we een voor de bedrijfskunde nieuw en origineel boekje te hebben gemaakt: 
We omarmen soms vertrouwen (zoals velen doen) maar houden ook een pleidooi voor gezond wantrouwen (wat haast niemand doet). We pleiten voor control (waarin we niet uniek zijn), maar geven ook een beschrijving van de zeven doodszonden van control (waarin we toch echt bijzonder zijn).

Het is een boek geworden dat u helpt om slimmer, meer ontspannen, breder en effectiever na te denken over de besturing van uw team, uw organisatie, uw onderneming.


zondag 2 december 2012


Wij burgers
Marije van den Berg en Frans de Jong

Of het nu Halle is, Lexmond, Leiden of Amsterdam, wij vinden het de moeite waard om ons in te zetten om van onze woonplaats iets moois te maken. Ik durf wel te zeggen dat we opgewekte, sociale, constructieve burgers zijn – wij de auteurs van dit stukje – en we zijn bepaald niet uniek. In Nederland zijn er heel veel onbezoldigde, onprofessionele dienaren van de publieke zaak. Burgers die een sieraad zijn voor iedere woonplaats. We zijn dat om allerlei redenen. Uit puur plezier, naastenliefde, uit ergernis ook. Omdat het nuttig is – soms. Lollig is – vaak. Dat actieve burgerschap kan af en toe best frustrerend zijn, toch houden we opgewekt mopperend vol. Het komt ook voor dat we vol plichtsbesef doorzwoegen, met dat werken aan de publieke zaak, gewoon omdat er niemand anders is die het doet. Hoe dat allemaal ook mag wezen: wij zijn wel de baas over onze eigen participatie.

‘Vertrouwen in Burgers’
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft deze zomer een rapport uitgebracht over burgerparticipatie. De titel van het boekwerk is: ‘vertrouwen in burgers’. Dat rapport beoogt ons meer te betrekken bij de beleidsontwikkeling van overheden en heeft er alle vertrouwen in dat dat gaat lukken. Vandaar die titel. Het rapport adviseert overheden om vooral te redeneren vanuit de burger. Daar kunnen wij niet tegen zijn! Toch vinden we het rapport ‘Vertrouwen in burgers’ een raar en een beetje eng rapport.
Onze kritiek is kortweg:
·         De WRR redeneert helemaal niet vanuit de burger, maar kijkt naar ‘de burger’ zoals een bioloog en een boer kijken naar ‘de kip’.
·         De WRR adviseert instituties om voor het eigen overleven, door middel van een verbond van beleidsmakers en frontlijnwerkers, actief burgers in te schakelen - die ‘moeten’ participeren.
En daarmee adviseert het rapport om een flink stuk van onze eigen burgerregie over participatie in te leveren in een netwerk voor de poort van de instituties – reden om te spreken over een ‘beetje eng’ rapport.

Zoals een bioloog kijkt naar een kip
Eerst dat ‘redeneren vanuit de burger’. Laat ik nog maar eens herhalen dat wat ons burgergedrag in het publieke domein drijft, heel erg grillig is. Liefde, ergernis, enthousiasme, aardige mensen, een akelig probleem, opkomende verveling… noem maar op, het speelt mee. Wat ons drijft verschilt bovendien van dag tot dag, van uur tot uur. We zijn erg onvoorspelbaar. Zeker nu we zijn ontzuild, geseculariseerd, politiek zijn gaan zweven, allerlei digitale communicatiemiddelen zijn gaan gebruiken. Kortom, een burger in een netwerksamenleving is erg ongrijpbaar en we kunnen ons voorstellen dat een beleidsmaker daar tureluurs van wordt – en gaat verlangen naar middelen om orde in onze chaos te brengen. Dat doet de WRR dan ook, door ons burgers te zien als een zeer gevarieerde diersoort die ruwweg onder te verdelen is in vier rassen. U bent volgens de WRR ofwel ‘verantwoordelijk’ (30-35% van de bevolking), ofwel ‘volgzaam’ (15 %) ofwel ‘pragmatisch’(25 – 30%) ofwel ‘kritisch (25 – 30%)’.
Dat is de benadering van een bioloog die kijkt naar de variëteit van laten we zeggen: de diersoort kip. ‘Denken vanuit de kip’, zo zou die bioloog dat in een vrolijke bui kunnen noemen, ‘om zo het gedrag van de kip beter te kunnen classificeren’. En vervolgens kan die bioloog dan in samenwerking met een verstandige boer het gedrag van die kippen zo beïnvloeden dat daarmee het dierenwelzijn en daarmee de winstgevendheid van de boerderij gediend is. Dat is ongeveer de benadering die de WRR toepast. We overdrijven niet… De WRR heeft er voor gekozen om de burger als ‘middel’ te zien om de legitimiteit en de kwaliteit van beleid te verbeteren. Om zoals ze zelf formuleert het overleven van organisaties mogelijk te maken. En komt dan tot een rijkdom aan aanbevelingen om de burger te verleiden tot participatie.
De WRR had heel goed een andere keuze kunnen maken.
Wij pleiten daarvoor, kiezen voor een andere invalshoek. Wij zien instituties niet als doel, maar als middel om de kwaliteit van leven van burgers te verbeteren. En we zijn dan best bereid om een deel van dat leven te wijden aan de instituties door middel van belasting betalen, stem uitbrengen, maar ook: door actieve participatie in beleidsprocessen. Maar het moet ons passen. Wij zijn de baas over ons publieke leven, niet de instituties. Als de WRR had gekozen voor deze benadering, dan zouden we dat echt denken ‘vanuit de burger’ noemen. Nu doet de WRR alsof, maar kijkt eigenlijk naar burgers zoals een bioloog kijkt naar kippen.
De adviezen die onze invalshoek oplevert zijn heel anders dan die van de WRR.
We verzekeren je dat je ons heel goed kunt toevertrouwen om baas over eigen participatie te zijn, maar het is voor ons wel lastig om te weten waar we moeten zijn zodra we iets met instituties van overheid en middenveld willen gaan doen. De instituties zijn namelijk sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw erg onoverzichtelijk geworden. Dat is het gevolg van de toepassing van allerlei handige bestuurlijke en bedrijfsmatige trucs; ‘klantgerichtheid’ en ‘marktwerking in het publieke domein’ bijvoorbeeld. Het ‘op afstand plaatsen’, fusies, ontvlechtingen, rationalisaties… noem maar op.
Dat schept verwarring over de verhoudingen die de instituties met mij willen aangaan. Hoe bindend is een organisatie die mij niet behandelt als burger maar als klant? Moeten we daarmee net zo omgaan als met de AH? Of met de Jumbo? Voor jou een ander?
En die verrommeling van structuren schept verwarring over het belang dat een institutie dient. Voor welk belang staat een institutie die met een been staat in de overheid en met het andere been in de markt? Eigenbelang (‘de continuïteit van de onderneming’)? De publieke zaak? Mijn persoonlijk belang? Stel je voor dat ik – gefascineerd als ik ben door het openbaar vervoer – zou willen participeren bij de Nederlandse Spoorwegen. Eh…waar verbind ik mij dan aan? Zelfs de minister wist op een zeker moment niet hoe de belangen rond het spoor werken.
Beleidsmakers mogen dan tureluurs worden van onze burger-grilligheid. Wij burgers worden tureluurs van de verrommeling van de instituties en vertrouwen de zaak dus maar half.
Ons advies is: probeer nou niet de burger aan te passen aan de instituties. Maar werk eens omgekeerd: pas de instituties aan en wel zodanig dat ondubbelzinnig duidelijk is welk belang ze dienen. In welk spanningsveld ze opereren. Dan weten we waar hun vertegenwoordigers voor staan en kunnen we ze vertrouwen – de verbinders waar het WRR rapport met zoveel warmte over spreekt.
Het heilige moeten
Dat brengt ons op het tweede punt van kritiek – de rol van die verbinders en het waarom van de burgerparticipatie. Het punt dat ons er toe brengt om het rapport ‘een beetje eng’ te noemen. Aan het eind van het rapport formuleert de WRR dat heel scherp. Het gaat echt, zoals we al vermoedden, om participatie als middel voor het doel: overleven van instituties:
In een complexe, snel veranderende omgeving ‘overleven’ alleen adaptieve instituties: instituties die meer doen dan instrumenteel bijschaven en die ook de onderliggende aspecten durven aan te pakken. […] De grondslag voor dat collectieve gedrag is gelegen in institutionele intuïtie: een intuïtie die gedeeld wordt door allen binnen de gemeenschap en die elk van hen in staat stelt om zonder formele opdracht aanpassingen te kunnen maken.
Lees dat nog eens goed… ‘intstitutionele intuitie’. Wat betekent dat voor ons? Moeten we de regie over onze eigen participatie inleveren voor iets of iemand met ‘institutionele intuïtie’ – of lezen we dat verkeerd? Het woord ‘gemeenschap’ wordt hier door de WRR gebruikt voor een informele structuur binnen en buiten de instituties.
Het is de bedoeling van de WRR dat individuen binnen en buiten instituties, onbewust – intuïtief, zonder reflectie, zonder formele opdracht – in een continu proces de instituties helpen om te overleven. Zoals je een hockeystick balanceert op je hand. Verbinders, frontlijnwerkers moeten dat tot stand brengen – in nauwe samenwerking met beleidsmakers.
Wij vragen ons af of de WRR zich heeft gerealiseerd wat de reikwijdte van deze gedachte is. Moeten burgers als het ware een beschermende laag rond de instituties maken, functioneren zoals het slijm rond een slijmprik? Water uit de omgeving mengt zich met de afscheiding van het dier zodat een ondoordringbare snotlaag ontstaat. Zodat roofvissen geen grip meer krijgen op het glibberige beweeglijke diertje? (De WRR gebruikt metaforen uit de sport. Wij zijn gek op biologische metaforen.) Wat doet dit denken met opvattingen over vrijheid en staat, over rechtsorde?
We konden onze eigen analyse haast niet geloven. Zou het gaan om een uitglijder van de WRR – of pleit men echt voor een sluipende institutionalisering van burgers. De WRR helpt ons zelf uit de onzekerheid, schetst een nieuwe overheidslogica (waarin niet langer de duidelijke rechtsregels centraal staan, maar de actieve interactie van instituties met de omgeving) en noemt die Weber 3.0:
Weber 3.0 betekent niet een terugtrekkende overheid, maar veeleer een voorwaardenscheppende en corrigerende overheid die faciliteert dat burgers en frontlijnwerkers initiatief nemen. Er is niets ‘zachts’ aan die overheid. Veel frontlijnwerkers hebben geleerd zich afwachtend op te stellen, als uitvoerders van opgelegd beleid. De doe-democratie heeft daar weinig plaats voor: niet alleen burgers maar ook frontlijnwerkers moeten dóen. Beleidsmakers moeten de omstandigheden creëren die het frontlijninitiatief ‘afdwingen’: mensen moeten zich verantwoordelijk willen voelen voor de uitdagingen binnen hun werkgebied.
MOETEN is het kernwoord van dit rare advies. Ook de WRR pleit voor een aanpassing van de instituties, echter niet richting vereenvoudiging, ze hoeven geen betrouwbare partner te worden van vrije burgers. Nee, de WRR adviseert om de manipulatie en binding van burgers op een hoger niveau te brengen door middel van de inzet van een verbond van beleidsmakers en frontlijnwerkers.
Voor de poort van die verrommelde instituties brouwen we zo een slotgracht gevuld met een frontliniesoep waar burgers, dat is onze stellige overtuiging, nog harder zullen verzuipen dan in die verrommelde instituties zelf. Van de regen in de drup.
Naar het eind toe zakt het rapport euforisch door de mand – leest en huivert:
Dit verhaal over burgerbetrokkenheid is een nieuw verhaal en moet al langer bestaande verhalen verdringen. Dat gaat niet zonder strijd…
Het nieuwe verhaal moet verwarmen: beter zijn dan het oude, geloofwaardiger. Het moet aangeven waar ‘we’ – beleidsmakers plus verbinders – vandaan komen en vooral waar we naartoe kunnen gaan. Het is persoonsgericht: het richt zich tot de individuele ontvanger met de bedoeling te informeren (wat is het probleem en waarom is het ernstig, ook voor jou?), te communiceren (denk eens mee: wat zouden ‘we’ eraan kunnen doen?) en uit te dagen (wat zou jij kunnen doen en hoe kan ik je daarbij de hand reiken?). Het verhaal laat bovendien ruimte tot inkleuring.[…]
De nationale kopstukken moeten daarom werken via de band en bestuurlijk Nederland begeesteren: hun beleidsambtenaren en frontlijnwerkers, maar ook hun medepolitici.[… ]
De omslag naar een Weber 3.0-cultuur vereist de ijzeren discipline van het ‘rechte pad’met het bijbehorende, brede politieke draagvlak: goed doen waarvoor ‘we’ hebben gekozen en dat over een periode van vele jaren. Tevens moeten ze geloven, en dat uitstralen, in de veerkracht van de netwerksamenleving, met haar zelfcorrigerende en lerende vermogens. […]
Meer dan voorheen dienen ze te vertrouwen op de checks and balances die de vier vormen van binding bieden in een sterk vernetwerkte samenleving, indachtig de slotles van het hockeystickmanagement: een stick die altijd valt, valt nooit als je maar snel genoeg corrigeert.
Fascinerend leesvoer toch? Wat moet je hier nou nog over zeggen?
Enfin.
Een mooie uitdaging aan de frontlijn
Allereerst. Het wordt tijd voor een studie over participatie die de vrijheid van het individu in een netwerksamenleving serieus neemt. Een mooie taak voor de WRR – of niet?
In de tussentijd willen wij de frontlijnwerkers zeker niet demotiveren om in gesprek te gaan en te blijven met mensen in de samenleving. Maar we willen ze wel waarschuwen om niet onbewust en ongestuurd beleidssoep te gaan brouwen. Wel om samen met burgers de verrommeling tegen te gaan.
De mensen in de frontlinie zijn immers verbindingsofficieren.
Ze komen uit het land van de verrommelde instituties. Dat moeten zij niet verstoppen. Hun taak? Verhelderen. Verhelderen van wie ze komen, wat hun belang is, wat hun doel. Waar hun onvermogen zit. Wie ze zijn als mens ín dat instituut. Vragen stellen vanuit de nieuwsgierigheid naar wat mensen werkelijk nodig hebben om vorm te geven aan hun ‘menszijn’ in de samenleving.
Frontlijnwerkers werken in het land van de grillige burger en vinden daar vrije mensen met hart voor hun samenleving. Soms kan de frontlijnwerker de vraag van de grillige burger beantwoorden. Zijn terechte wens vervullen.
Maar veel vaker nog blijft hij in gebreke – niet eens vanwege zijn eigen onvermogen, maar vanwege het onvermogen in het land van de instituties waar hij vandaan komt. Hulptroepen komen niet, de hospik zit in overleg, en de radio stoort.
Om de samenleving vorm te geven, hebben wij burgers soms behoefte aan instituties. Hoe die instituties werken, wat zij voorstaan, hoe die zijn gebakken, wat ze zouden moeten doen, daarover zijn wij burgers het vaak behoorlijk eens.
Maar we weten niet meer waar we zulke instituties kunnen vinden.
Frontlijnwerkers kunnen burgers helpen hun wens kenbaar te maken binnen de bestaande instituties. Zij kunnen de belangen van de burger verhelderen in die verrommelde instituties en zo, langzaamaan, iets verbeteren. Daar binnen moet het werk gedaan worden.
Als je werkt aan een toekomst waarin de publieke sector de samenleving beter bedient, en waarin hij adaptief is, dan stop je met nadenken over hoe je zelfstandige individuen aanpast aan organisaties. Die manier van kijken is reactionair – gebaseerd op het verlangen naar een oude tijd met een verzuilde samenleving, waarin burgers zich ordelijk gedroegen en keurig waren gecategoriseerd: christelijk, rooms, liberaal, socialistisch... Die tijd is voorbij – we zeggen het nog maar even…
Als je wérkelijk vanuit de burger redeneert, dan moet je de blik richten naar de instituties en het individu series nemen. En dan blijkt dat wij burgers kritisch naar de instituties kijken, niet naar onszelf. En terecht. Over het algemeen deugen wij burgers namelijk meer dan die instituties. Ook al zijn wij dan ‘geïndividualiseerd’ en ontzuild.
Maar als de burger kijkt naar de instituties dan ziet hij… tja, wat eigenlijk? Wat voor boer zou de kip eigenlijk willen hebben? Dat benoemen, adresseren, expliciet maken, dat kan de rol zijn van de frontlijnwerker. Zodat de mensen binnen aan de bak gaan.
Daar, in het hart van onze publieke instituties, MOETEN ze pas écht.
En ondertussen leven wij grillige burgers ons waardevolle leven buiten. Als we u nodig hebben, zeggen we dat wel.

Auteurs:
Marije van den Berg, Leiden

@marije

Adviseur/trainer communicatie en participatie #Whiteboxing -#dncp - bestuurslid @stadslab - 071 - moeder van 3, vrouw van@tijnkabouter en de zus van @karlijn
Frans de Jong, Halle (Gld)

@Franszelf

Bioloog met bedrijfskundige nascholing, ziet patronen in de chaos. Nieuwsgierig naar alles - echt.



donderdag 24 mei 2012

Je zal maar een burger zijn. WRR andermaal gevangen in het institutionele perspectief

De WRR heeft recent een nieuw rapport uitgebracht over de omgang tussen burgers en instituties. 'Vertrouwen in burgers'. Het prachtwerk constateert dat het 'droef'gesteld is met die verhouding. Het rapport heeft een flinke omvang en bevat een rijkdom aan materiaal. En pleit er onder andere voor om het perspectief van burgers serieus te nemen. Mooi. Het rapport ademt een positieve geest over die burger. Maar ik krijg toch al lezend het gevoel een rapportage te lezen van een feestcommissie die wanhopig op zoek is naar een feest. Laat ik mijn vooroordeel eens met u delen. Ik kijk eerst eens een paar jaar terug en doe dat vanuit het perspectief van de burger.

In het rapport ‘de verzorginsstaat herwogen’ heeft de WRR in 2005 meen ik, geformuleerd dat het middenveld onder de ‘beschaduwing’ van de overheid als taken heeft: verzekeren, verzorgen, verheffen en verbinden. Die anachronistische woorden koos men destijds opzettelijk en de conclusie was dat de noodzaak om deze taken uit te voeren onverminderd aanwezig zou zijn. Het ‘verheffen en verbinden’ krijgt in het rapport vervolgens een accent: een verwaarloosde taak die in deze nieuwe tijd moet worden opgepakt. Het rapport inspireerde bijvoorbeeld veel corporaties - de wereld die ik goed ken. In 2008 hoorde je er als corporatiebestuurder helemaal bij (onder collega’s) als je jezelf manifesteerde als ‘emancipatiemachine’. Verheffen! Verbinden!
Vanuit het gezichtspunt van de bewoner: het zal je maar overkomen dat je woont in een huurwoning en dat je verhuurder langs komt om je te verheffen en te verbinden. En bovendien werkt aan een zorgzame sfeer in je wijk – waar je juist liever met rust zou willen worden gelaten… Maar die bewoner stond nog heel wat meer te wachten.

Want intussen is de volkshuisvesting in verwarring geraakt. Er kwamen eind 2009 Europese richtlijnen ter bevordering van de marktwerking in de woningmarkt - die intussen stevig in crisis is geraakt. Bewoners met een min of meer gemiddeld inkomen zijn gedefinieerd als probleemgevallen tussen de wal en het schip van markt en corporatiesector. Je bent als bewoner hoe dan ook een risico voor de (financiële) markten. Ofwel je hebt een onverantwoord hoge hypotheek. Ofwel je woont scheef. Ofwel je woont in een woning die ‘eigenlijk’ aan de markt onttrokken is - want corporatie-wonen is niet normaal. Risicobeperking is het moderne spel geworden. En de moderne volkshuisvester doet daaraan mee. Dat betekent voor de bewoner: lenen lukt niet, corporaties hanteren een lik op stuk beleid voor wanbetalers en voor dat verheffen en verbinden hanteert men een repressief model voor ‘overlastgevend gedrag’ dat reikt tot ‘achter de voordeur’. De bewoners retourneren de institutionele achterdocht met een sterk afnemend consumentenvertrouwen – en een sterk afnemend vertrouwen in ‘de politiek’. Medewerkers krijgen cursussen ‘omgaan met agressie’.

Tot zover een blik vanuit het perspectief van bewoners... En weer verschijnt er een rapport van de WRR met als teneur dat 'we' als instituties van overheid en (wankel) middenveld ons best moeten gaan doen. Kernvraag is 'Hoe kunnen beleidsmakers burgers beter betrekken? 'Wij beleidsmakers' moeten daarvoor niet alleen achter de voordeur gaan kijken, maar ons ook verplaatsen in de hoofden van die eigenaardige diersoort: de burger. Kernwoorden: verbreden, vernieuwen en verwelkomen... brrr... (http://fransdejongiii.blogspot.com/2011/08/participatie-en-wederkerigheid_14.html)

Wat vind ik daarvan als burger? Kan ik iets anders vinden dan: 'ze bedoelen het goed, maar ze doen maar'? Want al die opgewekte complimenten van de WRR ten spijt over mijn burgerlijke betrokkenheid en creativiteit, de harde werkelijkheid is dat de instituties mij steeds meer in de houdgreep nemen. Oh wat kan ik verlangen naar een rapport van de WRR dat radicaal kiest voor een ander perspectief. Dat van de individuele burger - vanuit het perspectief van de starters op markt van wonen en werken bijvoorbeeld, vanuit het perspectief van de bewoner - enfin, een perspectief waarin zichtbaar wordt of de maatschappelijke systemen ons ruimte geven en behulpzaam zijn om ons eigen leven goed te leven. 'Hoe kan ik als burger beleidsmakers inzetten voor mijn leven en dat van mijn gemeenschap?' Het is er tijd voor - het is verdorie geen 1848 meer. En de WRR is de door z'n wetenschappelijke afstandelijkheid bij uitstek de organisatie in Nederland die zich kan ontworstelen aan de blikvernauwing van de institutionele wereld - en dat doet die raad niet!

donderdag 15 december 2011

Een paar jaar geleden; participatie en de opmaat naar populisme

Een paar jaar geleden schreef ik een kritisch stukje in het boekje 'Part noch deel'. In die tijd trad het kabinet Balkenende IV aan. Ik moet nog vaak aan die rare tijd denken als ik het huidige politieke klimaat probeer te duiden. Dit stukje vult wel een deel van de puzzel in...


Participatie en de valse toon van de politiek


De politiek wil dat ik ga participeren. Dat is mooi. Maar wat vraagt men dan precies van mij? En waarom maakt me dat zo knorrig?
Participatie; het is net zo’n woord als ‘ziekte’. Je spreekt pas over ziekte als je niet meer gezond bent. Je kunt niet eens zeggen wat je gezondheid is – wel wat je ziekte is. Daar kan men eindeloos over praten. Met participatie is dat net zo. Het is een woord dat duidt op het ontstaan van een gebrek, een afwijking van het normale, een disfunctie.
Mensen zijn onvermijdelijk sociale wezens. Participeren is normaal. Sociale insluiting en uitsluiting is een normaal proces bij de ontwikkeling van sociale structuren. Vaak een pijnlijk proces, maar zeker niet principieel ongezond voor een samenleving. Coalitievorming, liefde, haat – groepsgekte en pesten. Het hoort bij sociale wezens zoals mensen zijn. Zolang dat maar binnen de grenzen van de ethiek blijft is er niks aan de hand waar ik de politiek een rol in gun – ook niet met pesten.


Die ethische grenzen zijn belangrijk. Daarover is heel veel te zeggen, maar grenzen worden in ieder geval overschreden wanneer er sprake is van een systematisch stelsel van uitsluiting van bepaalde soorten van mensen: zwarten, niet-Nederlanders, gehandicapten, homofielen, jongeren. De rechter die in Jeruzalem de keurige gehoorzame ambtenaar Eichmann als “Schreibtischmörder” kwalificeerde en ter dood veroordeelde zei het zo: niemand kan aan wetten worden gehouden die de uitsluiting van bepaalde groepen mensen beogen. Het gedachteloos toepassen van wetten en regels schept het risico van schuld.
Als zulke ‘uitsluitende’ wetten van juridische of culturele aard aan de orde zijn, dan is er sprake van een zieke situatie. Dan is participatie problematisch geworden. Het veelvuldige gebruik van dat woord zou zo maar een indicatie kunnen zijn van zulke wetmatigheden, van zo’n systeem.


Wat is er mis met de samenleving dat er nu met zoveel enthousiasme om participatie wordt gevraagd? In het politieke debat zit iets vals. In het strategisch akkoord van Balkenende 1 tot en met 3 ging het over participatie als tegendruk voor een overactieve, bedilzieke overheid. En verder is participatie aan de orde bij minderheden, armen, gehandicapten, allochtonen en ieder die niet ‘normaal’ is. De onderkant van de samenleving – daar spreekt men van, ongegeneerd. Niet van de participatie van de veelverdieners en de bange blanken die zich terugtrekken op hun villaatjes in het groen. Deugt dat?


Tot voor kort was het niet de participerende, maar de calculerende burger die bepalend was voor de manier waarop politici keken naar de maatschappelijke ontwikkeling. Deze burgeruitvoering van de ‘homo economicus’, die succesvolle calculerende mens – een rasindividualist –, is iemand die zijn leven regelt in transacties, die alles wil kopen en verkopen tegen een prijs. Dat impliceert dat die mens op niemand rekent. Hij kan altijd ergens anders terecht. En omdat niemand op hem rekent, heeft de calculerende burger tegenover niemand verplichtingen. De calculerende burger gedijt in het postmoderne kapitalisme als een vis in het water – en dat kapitalisme is zo gezien tegelijkertijd een bron van de problemen rond participatie.


Zet daar tegenover eens het andere mensbeeld waar de politiek nu naar streeft: de waardegedreven burger, een actieve participant bij de opbouw van de samenleving. Een morele mens. De citoyen van de Franse revolutie. Niet alleen heeft hij een moreel oordeel, er is bij die mens ook het streven om die moraliteit jegens de medemens te honoreren. Dit heeft overigens ook een grond in de biologische afhankelijkheid van mensen van elkaar. Hierbij speelt het (onbewuste) besef dat als niemand van die mens afhankelijk is, deze ook niet nuttig en nodig is voor anderen en dat schendt de fundamentele behoefte van mensen om ergens zinvol bij te horen.


De omslag die de politiek maakt is enerzijds erg radicaal en anderzijds uiterst halfslachtig. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar dat appel op mij om mijn éigen verantwoordelijkheid te nemen, te mantelzorgen, te participeren in de opbouw van de samenleving klinkt mij verdacht in de oren als dat gebeurt met dezelfde stem die mij eerst aansprak als calculerende burger (en dat op allerlei onderwerpen nog steeds doet). En die slechts het terugtreden van de overheid als belangrijkste uitgangspunt heeft. Terwijl het óók het postmoderne kapitalisme is dat participatieproblemen veroorzaakt. Mijn ergernis en wantrouwen zullen pas verdwijnen wanneer de politiek niet alleen het terugtreden van de overheid uit de publieke ruimte nastreeft, maar ook de marktwerking als
bron van vervreemding en systematische aantasting van participatie ter discussie wil stellen. En zodoende weer bewust ruimte schept voor organiserend vermogen van burgers los van overheid en markt.


Frans de Jong

donderdag 18 augustus 2011

Boek over vertrouwen en control

Angela heeft het bedacht: wij gaan een boek schrijven. Over control (haar vak) en vertrouwen. En ik ben daar naief als ik dat doe ingestapt. Leuk.
Ruw materiaal verzameld. relevante dingen opgeschreven. En ja - er ontstaat zowaar structuur die de hoofdstukken overstijgt. een echt verhaal:

1. de zaak van vertrouwen en control
Waarin getuigen worden opgeroepen die elk hun visie geven op de tegenstelling tussen vertrouwen en control. Die tegenstelling is geen echte tegenstelling, maar een paradox. Veel vertrouwen en toch veel control - het bestaat. Het omgekeerde ook... een beschouwend deel.

2. organisaties evolueren
Waarin een analytisch kader wordt ontwikkeld voor 'bouwen aan vertrouwen'en 'grip krijgen' op basis van het feit dat de organistatie van vandaag niet die van morgen zal zijn en dat mijn organisatie er weer anders uitziet als jouw organisatie (ook al is dat dezelfde rechspersoon). Wiens vertrouwen wil je hebben? Dat van de klant én de controller én dat van de eigenaars? Interessant...

3. praktijken
Waarin aan de hand van de twee dimensies contol én vertrouwen een reeks van tactische tips wordt gegeven: wat zijn je uitgangspunten? Wat is je analyse? en hoe pak je de situatie aan?

Als het niet zo leuk wordt om te lezen als het was om te schrijven... ja, zelfs dan wordt dit een boek dat ik zou willen hebben. Maar we zorgen er voor dat het ook makkelijk en leuk is om te lezen. Dat het je helpt om na te denken, te ananlyseren en om te handelen - als je eindverantwoordelijke bent over: een organisatie, een afdeling, je eigen werk... Dit boek wordt een must voor iedereen die zijn verantwoordelijkheid op welk niveau ook wil waarmaken.

Tot zover de reklame... En echt: het wordt de moeite waard!. Eind dit jaar is het gereed. Kerstkado?. Hmmm...

zondag 14 augustus 2011

Participatie en wederkerigheid

Participatie van burgers, van mensen zo als u en ik, is een diepe wens over overheden en instellingen die het publieke nut dienen. Ik krijg regelmatig uitnodigingen om naar avondjes te komen om mee te praten. Waarom? Draagvlak, verbetering van de kwaliteit, omdat het moet… nobele motieven vanuit de organisatie bezien. Maar wat vind ik er eigenlijk als burger van?

Als je als nietsvermoedende burger naar zo’n avondje van de overheid gaat, wordt ontvangen op een inspirerende locatie met de hartelijkheid die je oude oma tentoon spreidt als je na twee jaar verzuimen weer op haar verjaardag komt. Wat bén je welkom – als burger! Vreugde! De dienaren van de gastheren hebben een proces bedacht waarbinnen je al je creativiteit tot uiting kunt brengen. Maar binnen grenzen. Het proces is onveranderlijk zo ontworpen datje niet je diepgravende mening kunt geven, of je principiële overwegingen kunt delen of zoiets, iets waar je even behoefte aan hebt ter zake van je participatieonderwerp. Je moet je onderwerpen aan de facilitatoren. Verzet is ongewenst en zinloos.

Wanneer je dan als normaal begaafd individu trouw ‘het proces instapt’, dan weet je niet wat je overkomt. Je IQ wordt teruggebracht dan wel opgewerkt tot 100. Al te slimme opmerkingen worden afgestraft. Domheid wordt met geduld benaderd. In ieder geval leidt het nivelleringsproces tot een lijst met kreten, iets waar een dienstdoende bestuurder na afloop van de bijeenkomst z’n intense vreugde over uitspreekt. Net als die oma die het benzinestationboeket dat je onderweg voor haar hebt gekocht PRACHTIG vindt. Later kun je lezen hoe inspirerend de middag is geweest. Met foto’s. Je ziet groepjes blanke ouderen over voorwerpen gebogen. Flip-overs met mooi uitgelicht het ene allochtone meisje dat op de avond aanwezig was. Met in de van bescheidenheid overlopende borstklopperij in jip-en-janneketaal gestelde tekst de melding dat er weer flinke stappen zijn gezet in het proces van bijvoorbeeld vernieuwing van de wijk.

Wat willen die lui van die overheidsorganisatie of die wijkorganisatie of dat middenveld eigenlijk van je? Hebben ze je talent benut? Je diepgravende meningen gerespecteerd? Nee hoor. Ze hebben plaatjes gemaakt en zijn blij geweest, maar waarmee? Ze hadden, denk ik dan, beter een groepje modellen kunnen inhuren voor die foto’s. En voor de informatie die ik heb gekregen gewoon een goede voorlichter aan het werk kunnen zetten.

Karikatuur? Ja, dat wel. Maar wel eentje die lijkt. In mijn lange leven heb ik tientallen bijeenkomsten bijgewoond. Sommige als vertegenwoordiger van een organisatie. De laatste tijd enkele als gewoon betrokken burger. In de eerste hoedanigheid hebben die welwillende organisaties van overheid en middenveld wel ontzag: als je vertegenwoordiger bent van een milieu-organisatie bijvoorbeeld, dan kun je het je veroorloven om stennis te maken over de al te grove vormen van manipulatie die over je heen worden gegoten. In de laatste rol ben je de pineut, als loslopende burger heb je niets te vertellen over het proces, Je zit er als inspraakkannonnenvoer. Over de meest succesvolle inspraakprocessen lees je overigens ook niets in de krant… Tenminste, die komen niet als persbericht van de overheid of de middenveldorganisatie – die breng je als burger zelf in het nieuws. Maar hoe vaak lees je in de krant: ‘burgers brengen de gemeente op andere gedachte’?

Is participatie altijd manipulatie? Kijk eens naar het http://www.participatieportal.nl/. Daar lezen we:

Waarom is burgerparticipatie (juist nu) zo belangrijk voor gemeenten?
1. Omdat er veel maatschappelijke onrust is …
2. Omdat in de huidige samenleving ideologieën steeds minder eenduidig is …
3. Omdat veel inwoners hoger opgeleid zijn …
4. Omdat de gemeenten de komende tijd flink moeten bezuinigen …
5. Omdat de gemeenten de afgelopen vijftienjaar veel hebben geëxperimenteerd met burgerparticipatie ...


Valt u het op? Er staat in het rijtje niet: omdat burgers dat graag willen. Met al mijn kritiek ben ik toch, in mijn hoedanigheid als individueel burger, een voorstander van actief burgerschap. Je moet als individu niet over je laten lopen. Ik vind bovendien dat je een verantwoordelijkheid hebt voor de samenleving. De samenleving is niet van de overheid, maar van ons. Maar er is iets mis met een overheid die ons gaat manipuleren. Ik vertaal dat rijtje maar eens vanuit mijn perspectief als burger:

1. Zodat we niet lastig zijn (en afzien van onze formele rechten),
2. Omdat we ontzuild zijn (en politiek onvoorspelbaar),
3. Omdat we te veel weten (en ons niet met een kluitje in het riet laten sturen –zie vele milieu en RO-kwesties),
4. Omdat publieke taken niet meer worden gefinancierd (en wij het werk moeten doen)
5. Omdat participatie zulk aardig werk voor ambtenaren en adviseurs oplevert.

Hoe zou ik het dan wel willen? Wat er is wel degelijk een probleem. Het is waar dat hoewel de formele macht van de overheid groot is, toch het informele draagvlak voor overheden (en grote organisaties in het algemeen) met de dag vermindert. Ik gun de overheid wel versterking van z’n legitimiteit. Maar niet langs de weg van die vriendelijke participatie van het participatieportal.nl. Een overheid die zich gedraagt als een docent die wordt gepest en niet beter weet te doen dan een beetje schaapachtig meelachen met de leerlingen – en dan toch straf uitdelen… nee.

Dan liever een overheid die rolvast opereert. Zich niet met alles bemoeit alstublieft. En via de vertegenwoordigende organen én de rechter serieus met mij een robbertje wil vechten. Geen inspraakavonden meer dan? Als dat in een procedure past, de wetgever dat voorschrijft, zeker wel, maar vraag je als organisatie wel af of de burgers er op zitten te wachten. Indien dat niet het geval is – niet doen! ‘Rolvast’ opereren, dat zal helpen de legitimiteit van de overheid te versterken. En ik vind dat de overheid met al z’n positiemacht en met de macht van z’n expertise mij de ruimte moet geven om serieuze gesprekspartner te zijn.
Maar genoeg zal dat niet zijn.

Het goede gesprek, van mens tot mens, met gewone vertegenwoordigers van de overheid in hun dagelijks werk is iets dat erg helpt. Praten met de huismeester, met de politie in het dorp waar ik woon, met de bestuurder van de corporatie die langs komt – met al die mensen die even hun organisatiehok verlaten om met bewoners te praten, te informeren hoe de vlag er bij hangt. Dat draagt bij aan het draagvlak van de organisatie. Meer nog dan al die ‘speciale participatie’. En daar ben ik blij mee – en die organisaties waarschijnlijk ook.

Maar die bijzondere vormen… ‘Organisatie ontmoet burger’… Vroeger hanteerden we daar akelige begrippen voor: propaganda, agitprop … hoort ‘participatie’ soms in dat rijtje thuis? Liever niet zou ik zeggen, hoewel...
’Buitenparlementaire’ interactie tussen overheden organisaties en burgers blijft ook vanuit mijn burgerperspectief nodig om verschillende redenen:
- Om mijn persoonlijke belang te kunnen verdedigen en onzekere, dure procedures te voorkomen
- Om ons collectief belang op de politieke agenda te krijgen
- Om te begrijpen wat de betekenis is van bepaalde interventies van de overheid voor mij en ons
- Om de overheid het vertrouwen te kunnen geven.

Ten diepste wil ik vervolgens dat overheden en andere organisaties zich houden aan een paar maatschappelijke basisregels die ik ook aan mijn kinderen heb geprobeerd over te dragen.
Bestuurlijk is dat: voor de wet zijn allen gelijk – met als achterliggende gedachte dat iedereen verschilt van ieder ander. (Jawel, heb ik ook aan mijn kinderen geleerd). De wet moet mij net zo behandelen als de vreemdeling, de wees, de weduwe. Vastgelegd in de Nederlandse grondwet – dus dat zat ooit wel goed…
Menselijkerwijs gesproken zijn dat de wetten van de wederkerigheid met twee verplichtingen: inleven en uitwisselen. Inleven in de ander met als uitgangspunt ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet alzo ook den ander niet’. Uitwisselen, communicatie gaat over halen en brengen. Je kunt niet van iemand vragen slechts te ontvangen, of slechts te geven. Er moet iets van transactie zijn. Inspreken en dan niks meer horen voelt als een belediging.

Waar leidt dat toe? Vanuit de organisaties gezien vind ik dat reflectie nodig is over het ‘waarom’ van de participatie. Wat daarover naar buiten wordt gebracht getuigt van, hoe zeg je dat vriendelijk, ‘de noodzaak tot verbetering’ (om niet te zeggen dat ik de motivatie zoals die via het participatieportal.nl naar buiten wordt gebracht bar en boos vind!!). Wil men een procedure bekorten? Juridische procedures voorkomen? Heel goed. Wees eerlijk en ga in onderhandeling met de belanghebbenden.

Willen overheden en organisaties burgers regie geven over de eigen wijk? Het zou goed zijn als ze eens informeerden naar de wensen van die burgers op dat punt. Oh ja, en laat de volksvertegenwoordigers dat maar eens doen – dat is hun taak toch? In ieder geval geen in participatie gespecialiseerde ambtenaren of adviseurs de regie laten voeren – die moeten keurig in een ondersteunende rol blijven.
Vorm?
Instrumenten?
Vorm en instrumenten moeten doel en inhoud dienen. En waarom vraag je dat niet gewoon op de avond zelf aan de mensen? Dat zou ik tenminste willen, als burger. Net zo goed als ik zou willen weten wat de motieven zijn.

Soms heeft een organisatie het gevoel dat een bepaald aspect beleidsmatig niet uit de verf komt. Praktisch voorbeeld is het vinden van jongeren in krimpgebieden. Die ‘krijg je niet te pakken’ als overheid of middenveld organisatie. Organiseer dan heel gericht een proces om de zaak vanuit het perspectief van de burger wel in beeld te krijgen – oh ja, dat werkt niet als je later diezelfde jongeren niet een serieuze verantwoordelijkheid geeft bij het formuleren van de oplossing van dat probleem. Aardig voorbeelden van hoe dat wel moet is het instellen van jongerenbesturen door enkele corporaties in resp. Het Gooi en Het Land van Heusden en Altena. Die besturen hebben echte beslissingsmacht. En dat werkt.

Kortom, een overheid of een organisatie die z’n motieven en z’n rollen goed heeft doordacht en zo toegerust op pad gaat richting burgers, die versterkt z’n geloofwaardigheid en daarmee de legitimiteit van z’n optreden – en uiteindelijk zijn existentiële legitimiteit. Een overheid die er voor kiest te verdwalen in een orgie van leuke en inspirerende werkvormen en z’n interactie uitbesteedt aan een verzameling professionals, maakt zich net zo belachelijk als die natuurkundeleraar die meelacht met de pestkoppen in de klas – en later er de rector bijhaalt.

zaterdag 16 juli 2011

Statler en Waldorf en de wijkontwikkeling

Wijkaanpakken maken mij knorrig. Een wijk aanpakken… het is iets dat heersers doen. Ouderwetse heersers die hun troepen richting het opstandig gepeupel in buurten stuurden. Zo leidde het Jordaanoproer in 1934 tot grootschalige politie-inzet tot achter de voordeur en een eigenaardig soort stadsherstel: de straten in de Jordaan werden geasfalteerd, opdat geen stenen meer konden gegooid naar de politie.
Zo doen ze dat niet meer.

Wijkentemmers en klaagzangers

Moderne heersers willen met moderne welzijnstechnieken wijken temmen. Mooiste voorbeeld van een moderne wijkaanpak was en blijft de moord op Katendrecht in naam van het burgerfatsoen. Ooit een levendige volkswijk, met schreeuwende vrouwen, dronken mannen, vreemdelingen en chinezen, hoeren en jankende kinderen. Nu een keurige middenklassewijk waarin het volk getemd is of zachthandig gedeporteerd naar Charlois en de hondenpoep wordt opgeruimd. De paar onverdraagzame bange blanken die er vanouds nog wonen, hebben hun zin gekregen en klagen nu dat het wel saai geworden is in Katendrecht. Want klagen, dat doen ze: de boeren en de burgers.

Mensergerjenieters

Als er een wijkaanpak wordt afgekondigd, dan is dat meestal omwille van een offensief ergens tegen. In deze tijd van overvloed is dat doorgaans een offensief tegen iets dat ergernis wekt. Ergernis over armoede, zwerfvuil, slordigheid. De betreffende ergernissen worden door organisaties van middenveld en overheid met alle mogelijke middelen geïdentificeerd, verzameld en gekoesterd als beleidsinformatie. Men verzamelt die door middel van die valse ‘koffietafelgesprekken’, interviews, onderzoek, noem maar op – een orgie aan onderzoeksvormen. Alle creativiteit wordt uit de kast gehaald om ook maar de geringste ergernis in kaart te brengen (waarbij de professionals dan met enige spijt, als ze onder ons zijn, constateren dat die onvermijdelijke hondenpoep altijd weer hoog scoort).

Innovatiemaskerdragers

Bijna automatisch komt er na de inventarisatie van ergernissen een aanpak met liefst innovatieve vormen van bewonersparticipatie. Want zowel de machtafstand tussen bestuurders en bewoners, de belangentegenstellingen, de ideaaltypes van de wijk zoals die door instituties worden gekoesterd, hun manipulatiedoelen, al die dingen die evenzovele indicaties zijn van het wezen van de macht, moeten worden gemaskeerd – met alle denkbare procedurele en taalkundige middelen. En vernieuwing is zo’n maskerwoord; in de vernieuwing zoekt men de authenticiteit. ‘Wij zijn vernieuwend bezig in deze wijk’.

Circus modaal…
Wijkaanpak in deze tijd is niet een charge met de blanke sabel, maar een maskerade. Een vertoning om de verkokering te maskeren van de professionals die de macht dienen en om de machtsafstand tussen beleidsbepalers en bewoners te maskeren. Het is een circus dat ook de bewoners corrumpeert die met kritisch en constructief vertoon de wijk moeten verloochenen die ze zelf gemaakt hebben – ter wille van een niet geëxpliciteerd institutioneel ideaaltype voor wijken, met een flink aantal actieve middenklassers als kern (heel andere mensen dan die de wijk op dit moment bewonen).

Ingepakt en …

Hier kom ik bij de bron van mijn overlopende gal over de wijkaanpak. De diepe onredelijkheid, om niet te zeggen: de boosaardigheid van de manipulatie die bewoners moeten ondergaan. Eerst zijn die in een planmatig, door stedebouwkundigen en architecten en volkshuisvestelijke bouwpastoors volgens een destijds geldend ideaal ontworpen leefruimte geplaatst. Hun collectieve middelen zijn veilig opgeborgen in overheden en middenveldorganisaties. Vervolgens zijn ze in die totale skinnerbox opgevoed tot calculerende, geïndividualiseerde burgers, met alle neveneffecten van dien.

… aangepast

Maar voor die neveneffecten nemen de daders geen verantwoordelijkheid! Ze eisen van de door hen tot kille consumenten geconditioneerde burgers allerlei vormen van collectief en altruïstisch gedrag. Dezelfde institutionele monden nu die preken: consumeer! Betaal belasting! word lid! wees jezelf! pas je aan! roepen dan: deel uit! participeer! hoor erbij! De verantwoordelijkheid voor de consequenties van stedenbouwkundige planning en postmodern bestuur worden met opgewekt gekakel afgewenteld op de burgers die desnoods tot achter de voordeur moeten worden omgebouwd tot aangepaste Nederlanders van het type Henk en Ingrid. Zo gezien is een wijkaanpak met participatie van burgers een gotspe. En zo wil ik kijken.

Intussen op het balkon

Is er vanuit die kritische positie nog wel een constructieve benadering mogelijk van de gebiedsontwikkeling? Of is deze keuze inherent destructief? De keuze van een moreel overbeladen oude man? Mijn vriend Jaap noemt ons al Statler en Waldorf, de knorrige oude mannetjes op het zijbalkon. Maar nog eens: is er een weg naar een constructieve benadering met deze kritiek als uitgangspunt?

Alle mensen zijn anders – en voor de wet gelijk

M’n zoektocht begint bij een morele plaatsbepaling – op dat punt grijpt mijn kritiek aan, daar vind ik de normen die met voeten worden getreden en dat is dan ook het vertrekpunt voor de zoektocht. Om te beginnen is daar een politiek-bestuurlijke keuze: ‘alle mensen zijn verschillend, mensen hebben recht op hun eigenaardigheden – maar voor de wet zijn allen gelijk’. De spanning in dit uitgangspunt, verwoord in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet – daar sta ik volledig achter, dat is een startpunt. Die spanning komt tot ontlading in de discussies over maatschappelijke variëteit (‘Henk en Ingrid’ verheven tot norm?), maar ook in de verhouding tussen individu en collectief – tussen staat en burger. De staat gaat over het recht, de burger bepaalt zelf hoe hij of zij wil leven en wie hij of zij kan en wil zijn.

Wat gij niet wilt dat u geschiedt…

Mijn tweede uitgangspunt is dat van de wederkerigheid. Die heeft een wat meer persoonlijke kant: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet alzo ook den ander niet’. En een wat meer zakelijke kant: een relatie is halen en brengen. Over dat laatste: een relatie die volledig altruïstisch is, waarbij de een uitsluitend geeft… dat deugt niet. Net zomin als het omgekeerde. Moet er een balans zijn tussen halen en brengen? Wat de balans is, maakt iedereen zelf maar uit. Ongelijkheid mag, moet, maar eenzijdigheid is verdacht. En mensen die werken bij instellingen van volksgezondheid, welzijn en volkshuisvesting zijn getraind in een ‘gevende houding’, zal ik maar zeggen. Brr.

Hoe werken die uitgangspunten door in het ‘participatiebeleid’ van organisaties van het type overheid of middenveld?

Geen gelazer…?
Laat ik beginnen bij die motieven. Wil je geen planologisch gelazer – is dat het motief? Of zoek je bijvoorbeeld – positiever ingestoken – legitimiteit voor je organisatie? Beide motieven zijn te verdedigen. In beide gevallen loont het om stijlvast te zijn: niet meer te beloven dan je wilt vragen… of kunt waarmaken – dus niet het taalgebruik in de sfeer van co-productie toepassen als je eigenlijk vooral uit bent op legitimiteit. Geen ‘wij’-gezalf als je uit bent op vergroting van draagvlak voor je opereren. ‘U en ik moeten komen tot een deal en u hebt het volste recht om u te verzetten’ – die werkelijkheid mag je niet wegmanipuleren in een gedachtenfeestje over gezellig, innovatief en constructief samenwerken voor een stiekem hoger doel: de ideale wijk.
In het algemeen loont het voor een organisatie om eens goed na te denken over de harde economische en ruimtelijke kaders voor je gaat praten met burgers. Dat geeft de vrijheidsgraden aan.

Wie je NIET aan tafel krijgt

Vervolgens de vraag met wie je wilt praten. Want open uitnodigingen vallen slecht in de meeste subculturen in de stedelijke omgeving. Jongeren krijg je niet. Allochtonen zelden (behalve die groep die heeft geleerd op dit soort van uitnodigingen positief te reageren). Je kunt er voor kiezen om een groep die buiten de boot valt in het krachtenveld eens stevig op de kaart te zetten. Zo vond ik het initiatief van Dudok om een jongerenbestuur in te stellen om de maatschappelijke en volkshuisvestelijke ruimte voor starters op de woningmarkt te verbeteren een eerlijke zaak. Het begon met de vaststelling van een probleem: vergrijzing en vooral ontgroening van het Gooi. En de vaststelling van een onvermogen: wij krijgen geen woonruimte rond tegen de verdrukking in van de goed georganiseerde grijzen in de samenleving – we moeten tegenkracht organiseren.
Zuivere motieven.

Rolvast in gesprek

Er zijn meer voorbeelden van acties vanuit de instituties die integer zijn. Die eerlijk zijn over rechten en plichten, over belangen. Wij verhuurder, u huurder. Wij de middelen, u de kennis over de wijk. En er zijn corporatiebestuurders genoeg bijvoorbeeld, die gewoon stevig in gesprek gaan met bewoners. In Groningen. In Vlaardingen – in heel Nederland zijn er voorbeelden. Tussen mensen gaat het vaak goed als die institutionele context maar op de achtergrond blijft.

Vrijzinnigheid tegen het populisme

Kern van de zaak blijft waardering voor het verschil tussen mensen. En die wederkerigheid. Die verliezen het gemakkelijk onder druk van de macht van de instituties. Tegenkracht bieden aan de neiging van instituties om zich achter de voordeur, en zelfs in de hoofden van bewoners te wurmen. Ik ervaar te weinig vrijzinnige tegenkracht tegen die alles verstikkende ‘betrek-de-mensen-erbij’ neiging van organisaties. Je krijgt daardoor een gevoel van verzet tegen die verstikking door de organisaties. Het is dat gevoel dat door rechts en populistisch wordt misbruikt voor de eigen doelen. ‘Ik ben niet zo van dat ‘samen’ bralt Wilders in reactie op het inderdaad krachteloze, slaapverwekkende en au fond beledigend paternalistische ‘de boel bij elkaar houden van’ Cohen (die overigens als staatssecretaris de eerste schending van Artikel 1 op zijn geweten heeft: de herziening van de vreemdelingenwet in …)

Opstand voor de menselijkheid

Krijgt zo’n politiek ondier als Wilders een kans doordat de mensbeschermende vrijzinnigheid zijn bronnen verloren is? Vroeger ontstond die vrijzinnigheid als tegenkracht tegen het dogmatisme van het socialisme, de christendemocratie en het liberalisme. Die voedingsbodems zijn opgeheven in een postmoderne brainstorm. Zou dat wegvallen van de tegenkrachten van de vrijzinnigheid de oorzaak zijn van die ongebreidelde institutionele aanval op de vrijheid van het individu? Ik zie, voel en vind dat het tijd is voor opstand voor de humaniteit. Voor het zelfbeschikkingsrecht van mensen – noem het desnoods: voor de soevereiniteit in eigen kring. Voor het recht om die eigen kring te definiëren.

Vanuit dat perspectief doe ik als participatieprofessional ook graag mee. Niet om ‘wijken te ontwikkelen’, maar om mensen te assisteren bij de ontwikkeling van hun eigen ideeën en programma’s – als ze dat nuttig vinden. Als dat een wijk ten goede komt? Toegift! Geen collectieve droombeelden die het zelfbeschikkingsrecht van mensen bederven. Geen benutting van de serieuze verlangens van mensen voor collectieve doelen. Het verlangen om te horen bij een authentieke gemeenschap is niet door de minst boosaardigen in de recente geschiedenis misbruikt.

Frans de Jong